Tafel van 10
Tien-truuc
Bij de tafel van 10 zet je gewoon een 0 achter het getal.
De tafel van 10 is samen met die van 1 de allermakkelijkste. Vermenigvuldigen met 10 betekent een nul achter het getal zetten — zo simpel is het.
| Som | Antwoord |
|---|---|
| 10 × 1 | 10 |
| 10 × 2 | 20 |
| 10 × 3 | 30 |
| 10 × 4 | 40 |
| 10 × 5 | 50 |
| 10 × 6 | 60 |
| 10 × 7 | 70 |
| 10 × 8 | 80 |
| 10 × 9 | 90 |
| 10 × 10 | 100 |
| 10 × 11 | 110 |
| 10 × 12 | 120 |
Zet er een nul achter
10 × een getal is gewoon dat getal met een 0 erachter. 10 × 7 = 70, 10 × 4 = 40, 10 × 9 = 90. Geen rekenwerk, alleen schuiven.
Alle antwoorden eindigen op 0
Elk antwoord eindigt op 0. Dat maakt deze tafel ook een handige basis voor andere tafels: 5 × X is de helft van 10 × X, 9 × X is 10 × X − X, en 11 × X is 10 × X + X.
Snel rekenen met geld
Tien munten van € 5 is € 50. Tien biljetten van € 20 is € 200. De tafel van 10 hoort bij geldrekenen — kinderen herkennen het patroon meteen.
In België leren kinderen de maaltafels in het 2de en 3de leerjaar. De tafels van 2, 5 en 10 komen meestal eerst, gevolgd door 3, 4 en 6, en daarna de moeilijkere tafels van 7, 8 en 9. Tegen het einde van het 3de leerjaar kennen de meeste kinderen alle tafels tot 10.
Hoeveel is 10 × 7?+
10 × 7 = 70. Zet een 0 achter de 7 en je hebt het antwoord.
Waarom is de tafel van 10 zo makkelijk?+
Omdat ons getalsysteem op 10 gebaseerd is (tientallig stelsel). Vermenigvuldigen met 10 schuift gewoon elk cijfer één plek naar links — vandaar dat je er simpelweg een 0 achter zet.
Hoe gebruik je de tafel van 10 voor andere tafels?+
De tafel van 10 is een springplank: 5 × X is de helft (5 × 8 = 80 / 2 = 40), 9 × X is 10 × X − X (9 × 8 = 80 − 8 = 72), en 11 × X is 10 × X + X (11 × 8 = 80 + 8 = 88).
In welk leerjaar leer je de tafel van 10?+
De tafel van 10 leren kinderen in het 2de leerjaar, samen met die van 2 en 5.
Laatst bijgewerkt op